Een kaartje, alsjeblieft een kaartje
De toespraak van Obama is ‘talk of town’. Iedereen wil er bij zijn. Mensen zijn nu al emotioneel, staan hun ogen bij te werken in toiletten in het conventiecentrum.
Meerdere mensen wilden mijn perskaart hebben, mensen met borden om hun nek: smeken voor een ticket: ‘I will work for it‘, staat op het bordje van een jong meisje.
Cezanne
Cezanne Hardy uit Seattle is naar Denver gekomen om als vrijwilliger bij de conventie aan de slag te gaan. Ze maakt lange dagen. ’s Morgens bezoekt ze bijeenkomsten, en van drie uur ’s middags tot tien uur ’s avonds begeleidt ze afgevaardigden van en naar hun bussen. Duizenden mensen. Tienduizenden.
Maar er zijn veel vrijwilligers en soms is er een aardig iemand. Zo kreeg ze gisterenavond zomaar ineens een toegangspas voor de hal - en kon ze dus Joe Biden en Barack Obama toejuichen.
Must go
Al vanaf zaterdag, de dag dat ze in Denver aankwam, was ze aan het bellen. Met mensen uit haar staat, Washington. Met andere vrijwilligers. Met mensen die ze net had leren kennen. Alles in de hoop op een kaartje voor de toespraak van Obama.
Tot donderdagochtend nog niks. ’s Morgens om half acht mocht ze bellen met een afgevaardigde uit haar thuisstaat. Daar had ze haar hoop op gevestigd. Het mocht niet zo zijn.
Zuchtend vertrok ze naar Downtown Denver. Haar doel: alles, alles doen voor een kaartje. En dat moest dan geregeld zijn vóór ze om twaalf uur aan de slag moest als vrijwilliger.
Voorbijganger
‘Ik heb een kaartje!’, brult Cezanne door de telefoon. ‘Ik sta hier op straat te huilen als een kind! Ik heb een kaartje, ik mag naar binnen!’ Hoe? ‘Een voorbijganger heeft hem aan me gegeven. Als bedankje, omdat ik vrijwilliger ben!’
